Wat doet het?

Episodes van een snelle hartslag (supraventriculaire of ventriculaire aritmie) komen vrij veel voor bij chronisch hartfalen, en worden veelal geassocieerd met een verergering van klachten die mogelijk ziekenhuisopname nodig maken. Medische behandeling van hartfalen verlaagt de frequentie van het optreden van dergelijke complicaties, maar neemt ze meestal niet helemaal weg. Als het risico op ventriculaire aritmie hoog is, kan een implanteerbare hartdefibrillator (ICD) worden geïmplanteerd om deze ernstige aritmie te behandelen die tot verergering van klachten of plotseling overlijden zou kunnen leiden. Een ICD vermindert echter niet het optreden van aritmie en gebruik van de specifieke medicijnen die deze ritmeverstoringen zouden kunnen beperken wordt afgeraden bij hartfalen.

Katheterablatie is momenteel de efficiëntste behandeling voor aritmie. Bij hartfalen kunnen celveranderingen het patroon van elektrische activatie veranderen. Sommige delen van het hart kunnen bijgevolg spontaan activeren (premature ventrikelsamentrekking) of onderdeel uitmaken van een verkeerde elektrische lus, wat kan verergeren en kan leiden tot een aanhoudend snelle hartslag. Katheterablatie is gericht op het maken van oppervlakkige littekens door middel van een radiofrequentiekatheter of koude applicatie met een cryoballon in het elektrische geleidingssysteem van het hart om het gebied dat de aritmie triggert uit te schakelen. Katheterablatie kan ook effectief zijn bij het wegnemen van of beperken van de frequentie van boezemfibrilleren.

Katheterablatie wordt gebruikt om twee belangrijke redenen

  • Het aantal episodes van snelle hartslag als gevolg van supraventriculaire (boezemflutter, boezemfibrillatie) of ventriculaire aritmie doen afnemen.
  • Het risico op plotselinge hartdood (ventriculaire tachycardie, ventriculaire fibrillatie) verkleinen.

Katheterablatie wordt al enkele tientallen jaren gebruikt en er is aangetoond dat het op efficiënte wijze aritmie beperkt en de hardfunctie in specifieke gevallen verbetert. Technologische verbetering van katheterablatie maakt de behandeling van complexere vormen van aritmie mogelijk in alle hartholtes.

Katheterablatie bestaat uit drie delen

  • Een diagnostische katheter om de elektrische signalen te lokaliseren en het geleidingspatroon in kaart te brengen.
  • Een ablatiekatheter om littekenweefsel te maken met verschillende soorten energie (radiofrequentie, cryotherapie).
  • Systeem om de positie van de katheter in het hart te lokaliseren (fluoroscopie of driedimensionaal systeem).

Hoe wordt het uitgevoerd?

Het invoeren van de katheter in het hart wordt onder plaatselijke verdoving gedaan via de liesader. Het eerste deel van de procedure bestaat uit het bestuderen en lokaliseren van de oorsprong van de aritmie. Vervolgens is voor de katheterablatie algehele anesthesie of verdoving nodig. Verschillende energietoepassingen worden uitgevoerd om een litteken te creëren in de betreffende gebieden. Het succes van de procedure wordt regelmatig getest om aan te tonen dat de abnormale elektrische geleiding niet getriggerd kan worden, wat dan het einde van de procedure aangeeft.

Na de procedure

Na de procedure verblijft u ongeveer 24-48 uur op de cardiologie-afdeling zodat in de gaten kan worden gehouden of er opnieuw aritmie optreedt. Afhankelijk van de aritmie en de procedure wordt u naar verwachting gevraagd een paar dagen te rusten.

Potentiële zeldzame, maar mogelijke bijwerkingen zijn onder andere: bloeding, de noodzaak van hartchirurgie, embolisme, aritmie of atrio-ventriculaire blokkade waarbij een pacemaker nodig is.

Het opnieuw optreden van aritmie kan in de eerste maanden ook voorkomen als gevolg van veranderingen gedurende het genezingsproces. De procedure van katheterablatie kan verschillende malen worden uitgevoerd om opnieuw optreden van aritmie of nieuw ontwikkelde aritmie te behandelen.

Raadpleeg uw arts of verpleegkundige voor meer informatie.

Terug naar Overige procedures