A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

A

Acuut hartfalen: hartfalen dat zich plotseling ontwikkelt (vaak als gevolg van een hartaanval). Hoewel het in eerste instantie ernstig kan zijn, kan het slechts van korte duur zijn en snel verbeteren.

Bijnieren: klieren die zich boven uw nieren bevinden. Ze scheiden hormonen af die helpen bij het controleren van uw hartslag, bloeddruk, nierfunctie en de manier waarop uw lichaam voeding in de cellen opneemt en andere vitale functies uitvoert.

Richtlijn voor palliatieve zorg: een document waarin wordt beschreven welke behandelingen en procedures aan het eind van uw leven wel of niet moeten worden overwogen.

Aldosteronreceptorantagonisten: een klasse van geneesmiddelen die worden gebruikt om de bloeddruk te verlagen, stuwing te verminderen en uw hart te beschermen.

Anemie (bloedarmoede): een laag aantal rode bloedcellen of een lage hoeveelheid hemoglobine in uw bloedcellen, wat ertoe leidt dat er minder zuurstof wordt geleverd aan weefsels en organen.

Angina pectoris: pijn of ongemak op de borst als gevolg van verminderde bloedtoevoer naar een deel van de hartspier. Dit wordt meestal veroorzaakt door een aandoening van de kransslagader.

Angiografie: een test waarbij een vloeibare kleurstof wordt geïnjecteerd die zichtbaar is op röntgenfoto's en waarmee verstoppingen of vernauwingen in de kransslagaderen kan worden ontdekt.

Angiotensine II: een hormoon dat van nature door uw nieren wordt geproduceerd en vernauwing van uw bloedvaten veroorzaakt, urineproductie beperkt en uw bloeddruk doet stijgen.

Angiotensine-converterend-enzym(ACE-)remmers: een klasse van geneesmiddelen die de productie van angiotensine II remmen en uw bloeddruk verlagen.

Angiotensinereceptorblokkers (ARB’s): een klasse van geneesmiddelen die de werking van angiotensine II blokkeren en uw bloeddruk verlagen.

Anti-aritmica: geneesmiddelen die worden gebruikt om onregelmatige hartritmes en extra hartslagen te reguleren.

Anticoagulantia: geneesmiddelen die de vorming van bloedproppen, met name in de kransslagaders, voorkomen.

Bloedplaatjesaggregatieremmers: geneesmiddelen die de werking van bloedplaatjes voorkomen en zo de vorming van bloedstolsel voorkomen.

Antitrombotica: geneesmiddelen die de vorming of groei van bloedstolsels voorkomen. Anticoagulantia, bloedplaatjesaggregatieremmers en trombolytica zijn allemaal soorten antitrombotica.

Aritmie: een onregelmatig hartritme.

Astma: een luchtwegaandoening die vernauwing van de grote luchtwegen veroorzaakt, waardoor vooral het uitademen bemoeilijkt wordt.

Atria (boezems): de kleinere, bovenste kamers van het hart die de grotere ventrikels (kamers) vullen.

Atriumfibrillatie
onregelmatige en vaak snelle slagen van de bovenste linkerboezem (atrium) van uw hart, wat leidt tot onregelmatig kloppen van kamers.

B

Bètablokkers: een klasse van geneesmiddelen die worden gebruikt om uw hartslag te vertragen of uw bloeddruk te verlagen.

Black-outs: een term die wordt gebruikt voor een plots, tijdelijk verlies van bewustzijn als gevolg van een verminderde bloedstroom (en hierdoor minder zuurstof) naar de hersenen. Dit is meestal het gevolg van een lage bloeddruk of trage hartslag.

Geblindeerd: een geblindeerde klinische trial is een onderzoek naar een geneesmiddel waarbij de ontvanger niet weet of hij of zij het actieve onderzoeksmiddel of een placebo (neppil) ontvangt.

Merknaam: de naam die door de geneesmiddelenfabrikant die het middel maakt aan een medicijn wordt gegeven. Artsen kunnen op hun voorschrift (recept) de merknaam of de generieke (wetenschappelijke) naam gebruiken.

C

Calciumkanaalblokkers: een klasse van geneesmiddelen die worden gebruikt om een hoge bloeddruk, angina pectoris en sommige onregelmatige hartritmes te behandelen.

Hartmarkers: stoffen die in het bloed worden vrijgegeven door de hartspier als deze beschadigd is. De gehaltes van deze stoffen kunnen worden gemeten met bloedonderzoeken om vast te stellen of er schade is.

Hart-MRI: een vorm van beeldweergave van het hart waarbij gebruik wordt gemaakt van een krachtig magnetisch veld om zeer gedetailleerde beelden van het hart te produceren.

Cardiale resynchronisatietherapie (CRT): een soort pacemaker die zorgt dat uw hart een normaal ritme behoudt en de coördinatie van de samentrekking van de belangrijke linkerkamer van het hart verbetert.

Cardiomyopathie: een aandoening die leidt tot een abnormale vergroting, verdikking of verstijving van (een deel) van de hartspier. Cardiomyopathie kent vele oorzaken.

Cardiopulmonale resuscitatie (CPR): een levensreddende procedure waarbij handmatige druk op de borst en mond-op-mondbeademing wordt toegepast, om zo te zorgen dat het hart blijft pompen en om de longen van zuurstof te voorzien.

Katheter: een dunne, flexibele slang die bij veel procedures wordt gebruikt.

Thoraxfoto : een onderzoek waarbij een röntgenfoto wordt gemaakt van de borststreek. Hierbij komen de longen, het hart, de grote bloedvaten en de ruggengraat in beeld. Bij hartfalen wordt een thoraxfoto gemaakt om tekenen van stuwing in de longen vast te stellen of om een longinfectie of opeenhoping van vocht in de longen op te speuren.

Cholesterol: een wasachtige, vettige substantie die belangrijk is voor vele functies in het lichaam en in veel voedsel voorkomt. Er zijn verschillende soorten cholesterol. Een te hoog LDL-cholesterolgehalte kan tot hartaandoeningen leiden.

Chronisch hartfalen : langdurig hartfalen dat zich in de loop der tijd langzaam ontwikkelt, geleidelijk kan verergeren en langetermijnbehandeling vereist.

Chronisch obstructief longlijden (COPD): een longaandoening die meestal door roken wordt veroorzaakt en waarbij de kleinere luchtwegen gedeeltelijk geblokkeerd of vernauwd zijn, waardoor de uitademing wordt bemoeilijkt.

Klinische trials: medisch-wetenschappelijke onderzoeken bij menselijke patiënten. Ze worden opgezet om specifieke vragen te beantwoorden en om een betere manier te vinden om aandoeningen als hartfalen te voorkomen, detecteren of behandelen, of om mogelijke bijwerkingen van geneesmiddelen te detecteren.

Compensatie: een term die wordt gebruikt om te beschrijven hoe het lichaam probeert om de slechte bloeddoorstroming als gevolg van hartfalen op te vangen. Dit omvat doorgaans een versnelde hartslag en vochtophoping.

Congenitaal (aangeboren): bestaand bij de geboorte, bijvoorbeeld een aandoening die bij de geboorte al aanwezig is.

Congestie (stuwing): een ophoping van vocht in een deel van het lichaam.

Kransslagaderen: bloedvaten die bloed leveren aan de hartspier.

Coronaire bypass
een chirurgische procedure om de bloedstroom om een blokkade in de kransslagader te leiden. Een ader uit het been of de borstkas worden hierbij ingehecht boven en onder de blokkade.

Kransslagaderaandoening : treedt op wanneer de kransslagaderen gedeeltelijk of volledig verstopt zijn. Dit leidt tot een verminderde bloedstroom en kan angina pectoris, een hartaanval en hartfalen veroorzaken.

Cyanose: een blauwe verkleuring van de huid door een gebrek aan zuurstof in het bloed, meestal veroorzaakt door een aangeboren hartaandoening.

D

Defibrillatie: een proces dat wordt gebruikt om een abnormaal hartritme te corrigeren door een elektrische schok toe te passen op de borst.

Diabetes (suikerziekte): een aandoening waarbij het lichaam ofwel niet genoeg insuline produceert, of de insuline die wordt geproduceerd niet goed werkt. Dit betekent dat het lichaam glucose (suiker) niet goed kan gebruiken.

Digoxine: een geneesmiddel dat wordt gebruikt om een abnormaal hartritme onder controle te krijgen en de hartprestatie te verbeteren.

Dilatatie: vergroting of verwijding van een bloedvat of kamer.

Diuretica (plastabletten):
een klasse van geneesmiddelen die de nieren stimuleren om meer urine te produceren, waardoor er minder vocht wordt vastgehouden en de opeenhoping van vocht wordt verminderd.

Bevel om niet te reanimeren (DNR of do-not-resuscitate): een document voor uw zorgverleners waarin u vermeldt dat u niet wilt dat er levensreddend wordt ingegrepen als uw hart en ademhaling ermee stoppen.

Dubbelblind: een dubbelblinde klinische trial is een onderzoek naar een geneesmiddel waarbij noch de ontvanger, noch de onderzoeker weet of de ontvanger het actieve geneesmiddel of een placebo ontvangt.

E

Echocardiogram: een test waarbij gebruik wordt gemaakt van ultrasoon geluid (echografie) om de hartkamers, -kleppen en omringend weefsel te bekijken. De functie en bloedstroom kunnen worden beoordeeld.

Elektrocardiogram: een test waarbij de elektrische activiteit van het hart wordt geregistreerd. Er wordt informatie over de hartslag, het hartritme en de elektrische geleiding geregistreerd. Bewijs van schade, ischemie en hypertrofie kan hiermee worden vastgesteld.

Erectiele dysfunctie (erectiestoornis): een term die wordt gebruikt om het onvermogen van een man te beschrijven om een erectie te krijgen of behouden die nodig is voor geslachtsgemeenschap.

Inspanningscapaciteit: een term die wordt gebruikt om te beschrijven hoe fysiek fit iemand is of hoeveel beweging zijn/haar lichaam kan verdragen.

Inspanningsonderzoeken: gecontroleerde fysieke activiteit, doorgaans op een loopband of hometrainer, om te beoordelen hoe goed het hart en het lichaam omgaan met fysieke inspanning of stress. Dit onderzoek kan bewijs identificeren van ischemie als gevolg van een kransslagaderaandoening.

F

Vochtophoping: wanneer er te veel vocht in de bloedbaan zit en daardoor stuwing en een verhoogde druk in de bloedvaten ontstaat. Er lekt dan vloeistof in de omliggende weefsels, waar het ophoopt en oedeem veroorzaakt.

G

Generieke naam:
de wetenschappelijke naam voor het actieve bestanddeel van het geneesmiddel.

Glucose: een suiker die een essentiële bron van energie is voor het lichaam.

H

Hemoglobine: een complexe eiwit-ijzerverbinding in het bloed die zuurstof naar de cellen brengt vanaf de longen en koolstofdioxide wegvoert van de cellen naar de longen.

Hemorragie: de medische term voor een bloeding. Doorgaans betekent een hemorragie vooral een ernstige bloeding.

Hartaanval : schade die optreedt aan de hartspier wanneer een kransslagader verstopt raakt en de bloedstroom naar een deel van de hartspier ernstig verminderd is of totaal gestopt is.

Harttransplantatie: een chirurgische ingreep waarbij een werkend hart van een recent overleden orgaandonor wordt geplaatst in het lichaam van iemand waarvan het hart niet goed meer werkt.

Hormonen: stoffen die door verschillende klieren in het lichaam in het bloed worden afgegeven en die essentiële functies reguleren.

Hypertensie: aanhoudende hoge bloeddruk.

Hyperthyreoïdie: een aandoening die het gevolg is van een overmatige werking van de schildklier die uiteindelijk de stofwisseling versnelt (ook wel overactieve schildklier genoemd).

Hypertrofie: toestand waarbij de omvang van weefsel, een orgaan of een spier is toegenomen.

I

Implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD): een klein apparaat dat onder het sleutelbeen wordt geplaatst om uw hartslag in de gaten te houden en abnormale hartritmes te behandelen met elektrische impulsen.

Internationale genormaliseerde ratio (INR): een internationaal systeem dat wordt gebruikt om bloedstollingstesten te bewaken en rapporteren.

Insuline: een hormoon dat door de alvleesklier wordt geproduceerd waardoor het lichaam glucose om kan zetten in energie.

Insulineafhankelijke diabetes
Een aandoening waarbij het lichaam weinig of geen insuline produceert, waardoor het lichaam geen glucose kan gebruiken. Mensen met insulineafhankelijke suikerziekte moeten verschillende keren per dag insuline krijgen toegediend om deze aandoening onder controle te houden.

Onregelmatige hartslag: het normale hartritme kan verstoord raken door extra samentrekkingen, waardoor de hartslag soms onregelmatig, te langzaam of te snel lijkt.

Ischemie: een verlies van of verminderde bloeddoorstroming (en daarom zuurstof) naar weefsels.

L

Wilsbeschikking: een document waarin de omstandigheden worden beschreven waaronder u geen levensverlengende medische behandeling wilt ontvangen als u ernstig ziek wordt in de toekomst en niet meer in staat bent uw eigen beslissingen te nemen over zorg.

M

Beademing: bij beademing wordt een machine gebruikt om de ademhaling van iemand te regelen en zuurstof te leveren.

Medische voorgeschiedenis: informatie over iemands symptomen, recente of eerdere ziektes en behandelingen, eerdere chirurgische ingrepen of procedures, gebruik van medicatie en medische familiegeschiedenis.

Beeldvorming door magnetische resonantie (MRI):
een onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van magnetische en radiogolven om gedetailleerde beeldweergaven te maken van de binnenkant van iemands lichaam.

multislicecomputertomografie (MSCT):
een onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van een zeer snel scannend röntgenapparaat en een kleurstof om scherpe, gedetailleerde beeldweergaven van het hart en de kransslagaderen te creëren.

Myalgie: pijn in een spier of meerdere spieren.

Myocarditis: een acute ontsteking van de hartspier. Het kan leiden tot cardiomyopathie.

N

Natriuretische peptiden: een familie van natuurlijk voorkomende eiwitten die een belangrijke rol spelen bij het verlagen van de activiteit van het renin-angiotensine-aldosteronsysteem.

Nitroglycerine: een geneesmiddel dat wordt gebruikt om episodes van angina pectoris te behandelen. Het wordt doorgaans onder de tong toegediend in tabletvorm, als spray of als patch.

Nitraten: langwerkende nitroglycerinepreparaten die oraal worden ingenomen.

O

Oedeem: zwelling van weefsel als gevolg van vochtophoping en stuwing.

P

Pacemaker: een klein medisch apparaat dat onder het sleutelbeen wordt ingebracht. Het houdt de hartslag in de gaten en indien nodig prikkelt het de hartspier met elektrische impulsen om samen te trekken.

Palpitaties (hartkloppingen): het gevoel van overgeslagen, extra of onregelmatige hartslagen.

Percutane coronaire interventie (PCI): een procedure die wordt gebruikt om de bloedtoevoer naar een vernauwde slagader te herstellen door verwijding van het bloedvat met een ballon. Dit kan worden toegepast in de acute fase van een hartaanval en vaak wordt een stent gebruikt.

Perfusiescans: een scan waarbij de bloeddoorstroming naar de hartspier in rusttoestand en bij inspanning wordt beoordeeld. De procedure gaat doorgaans gepaard met de injectie van een radioactieve stof.

Lichamelijk onderzoek: een grondige inspectie van een patiënt waarbij wordt gekeken naar tekenen van een ziekte of afwijking.

Placebo: een niet werkzame (nep)pil of niet werkzaam medicijn dat vaak wordt gebruikt in klinische trials.

Plaque: een ophoping van cholesterol, vettige producten, kalk en bloedpropvormende stoffen die tegen de wand van een slagader vastplakken.

Bloedplaatjes: zeer kleine deeltjes in het bloed die bloedingen voorkomen en betrokken zijn bij bloedstolling.

Pneumonie (longontsteking): ontsteking van de longen, doorgaans veroorzaakt door een infectie. Longontsteking treedt vaker op bij mensen met hartfalen en verstopte longen.

Kalium: een essentieel mineraal dat uw lichaam nodig heeft voor een normale celfunctie. Diuretica (plastabletten) kunnen leiden tot een verlaagd kaliumgehalte.

R

Radio-ablatie: een procedure waarbij gebruikt wordt gemaakt van elektrische energie om weefsel in het hart dat ritmestoornissen (onregelmatige of snelle hartslag) kan veroorzaken te vernietigen (ablateren).

Radionuclide ventriculografie: een test die gebruikmaakt van zeer kleine hoeveelheden radioactieve stoffen om de hartspier, kamers en bloedvaten zichtbaar te maken.

Rechtszijdig hartfalen: als de rechterkant van het hart verzwakt is en bloed niet normaal vanuit het lichaam naar de longen kan pompen.

S

Verzadigde vetten: een soort vet dat het hoogste risico vorm voor het ontwikkelen van een kransslagaderaandoening.

Spirometrie
: een onderzoek waarbij het volume en de snelheid van de luchtstroom wordt gemeten die door de longen wordt in- en uitgeademd.

Statine: een geneesmiddel dat wordt gebruikt om de cholesterolspiegel te verlagen en de ontwikkeling van een kransslagaderaandoening te voorkomen.

Stent: een metalen of kunststof buisje dat in een vernauwd bloedvat wordt geplaatst om het open te houden.

T

Tachycardie: een snelle hartslag, doorgaans meer dan 100 slagen per minuut.

Telebewaking: deze term wordt gebruikt om informatie te beschrijven die elektronisch (bijvoorbeeld via de telefoon) naar uw arts of verpleegkundige wordt verstuurd. Informatie kan ook automatisch naar de kliniek worden verzonden vanaf een pacemaker, ICD of CRT terwijl u thuis bent. Er zijn verschillende methodes beschikbaar voor het leveren van dergelijke bewaking op afstand. Telemonitoring is steeds vaker beschikbaar en begint deel uit te maken van de routinepacemakercontrole. 

Trombolytica: geneesmiddelen die via een injectie worden toegediend om bloedproppen in de kransslagaderen te verwijderen.

Schildklier
een vlindervormige klier in de hals die een hormoon produceert dat de snelheid waarmee lichaamscellen energie produceren reguleert.

U

Onverzadigde vetten : een soort vet dat relatief goed voor u is. In tegenstelling tot verzadigde vetten, kunnen onverzadigde vetten het cholesterolgehalte in het bloed verlagen.

V

Klepvervangingsoperatie: operatie die wordt gebruikt om een hartklep die niet goed werkt te vervangen door een kunstklep of een klep van echt weefsel.

Kleppen: kleppen zorgen ervoor dat de bloedstroom in één richting door het hart gaat, zodat bloed niet tegen de stroomrichting in kan stromen.

Vasodilatoren (vaatverwijders) : een geneesmiddel dat voor verwijding, of ontspanning, van de bloedvaten zorgt.

Ventrikels (kamers): de grotere, lager gelegen kamers van het hart die bloed ontvangen van de boezems en het bloed vanuit het hart naar de rest van het lichaam en de longen moeten pompen.

Ventrikelfibrillatie: snelle, ongecoördineerde samentrekkingen van de grotere, onderste kamers van het hart (ventrikels).